Naar inhoud springen Naar voettekst springen

Geschiedenis

©zvs.archiv
©zvs.archiv

Het ontstaan van St. Vith

De meningen van geleerden lopen uiteen

Volgens één opinie heeft er op deze plek eens een Keltische tempel gestaan of St. Vith was al in de Romeinse, respectievelijk Frankische tijd, bewoond. Andere plaatselijke onderzoekers zijn van mening dat het ontstaan van St. Vith begon in de derde nederzettingsperiode (850-1150).

Men had inderdaad in het stadsdeel tot nu toe geen pre-, respectievelijk vroeg geschiedkundige vondsten gedaan, zodat men ervan kon uitgaan, dat dit gebied in pre-Romeinse en Romeinse tijd geen nederzettingsgebied was, maar wel een doorreisland.

Dit vermoeden wordt gesteund door het feit dat oude nederzettings- respectievelijk cultplaatsen in de nabijheid van St. Vith bestaan hebben (Breitfeld, Wiesenbach, Neundorf), die echter wel meestal in berg- of dal gebieden gebouwd werden en bescherming boden tegen de weersomstandigheden, en waar het plateau van St. Vith ondertussen ook militaire- of handels strategische voordelen bood alsook klimatologische voordelen.

De nederzetting heeft zich dan vermoedelijk vanaf 900 na Christus aan de kruising van de in noord-zuidelijke richting lopende oude Romeinse weg van Reims naar Keulen en de lokale, in west-oostelijke richting lopende verbinding van de beide oude steden Malmedy en Prüm als markt- en pelgrimsoord ontwikkeld, want in oorkonden van de 12de eeuw worden zowel de Vituskerk alsook de douane controleposten en de markt vermeld. St. Vith duikt hier voor het eerst op uit de duisternis van de geschiedenis en presenteert zich reeds als echt belangrijke plaats.

St. Vitus van Sint Denis

De rond het jaar 648 door de Aquitaanse monnik Remaclus gestichte abdij op door de Merovingse koning Sigibert III, geschonken grond, werd in de 12de eeuw door abt Wibald (1098-1158) bestuurd.

Wibald was ook abt in de abdij Corvey aan de Wezer.

Hier werden in het jaar 836 relikwieën van de martelaar Vitus van St-Denis (Frankrijk) heen gebracht.

Het is momenteel waarschijnlijk dat relikwieën van de heilige Vitus, die in de middeleeuwen zeer werd vereerd, door abt Wibald via Malmedy naar St. Vith gekomen zijn en zo de plek haar naam (ad sanctum vitum) gegeven heeft.

De gunstige ligging aan een kruispunt van straten heeft dan snel tot een groeiende betekenis van de plek geleid, want vanaf 1151 werden hier douane controleposten van de Limburgse hertog gebouwd en tegen het einde van de 12de eeuw werden de straten, die van Keulen naar het zuidwesten voeren, ‘via de sancto Vito’ genoemd.

De Limburgse Hertog Walram de Oude hertrouwde in 1214, met Ermesinde van Luxemburg. Zijn zoon uit het eerste huwelijk, Walram I (ook de Jongere of de Lange genoemd), trouwde in 1225 met de dochter van Ermesinde, Elisabeth van Bar. Na Ermesinde’s dood (1247) ontving Elisabeth’s halfbroer, Heinrich de Blonde van Luxemburg, de erfelijke douanerechten in St. Vith. De invloed van de Luxemburger in het land rond St. Vith groeide verder, want in 1265 verwierf Heinrich de Blonde, aandelen van het Hof Neundorf, die tot dan de Ridder Kuno van Schönberg toebehoorden.

De opvolgers van Kuno van Schönberg bezaten nog andere aandelen rond St. Vith en Heinrich de Blonde verzuimde het niet om ook deze te verwerven tot vergroting van zijn gebied.

Zo ervaren we in een oorkonde van 1271 voor het eerst dat St. Vith als Luxemburgs leengoed verkocht wordt aan Walram de Rode uit het Huis van Valkenburg-Montjoie.

De Luxemburgse suzereiniteit over St. Vith en omgeving werd ook overgedragen aan de opvolgende Heren (de Graaf van Sponheim en daarna de Graaf van Nassau) en duurde meer dan 500 jaar (tot de Franse Revolutie).

©zvs.archiv
©zvs.archiv

Ontwikkeling als handelsstad


In de 13de eeuw nam de betekenis van St. Vith als handelsstad, verder toe.

Uit deze tijd stammen koopaktes die over de korenmaat van St. Vith (Vitus maat) praten, die zelfs nog tot de tijd van de Franse heerschappij geldig waren.

Johan van Valkenburg-Montjoie, Luxemburgse leenman, schreef geschiedenis als Heer van St. Vith: onder zijn heerschappij werd de betekenis van St. Vith als handelsstad verstevigd, zo vonden de bouw van de burcht en de bouw van de stadsmuren met hun versterkte torens, in 1350 plaats.

In deze periode werd St. Vith ook tot stad benoemd en mocht sindsdien dan het wapen (Limburgse-Valkenburgse leeuw) dragen, wat heden ten dage nog verwijst naar de eerste bekende Heer van St. Vith, Johan van Valkenburg. Overigens, de laatste nakomeling van dit huis, had ook munten laten slaan in St. Vith: de ‘moneta Sancti Viti’.

Na de dood van Johan (1352) begon de Valkenburgse erfstrijd tussen zijn zus en de gelovige Valkenburgers. Pas in 1380 kende het Riddergerecht van het Hertogdom Luxemburg het graafschap St. Vith en Bütgenbach toe aan Simon van Sponheim-Vianden en verklaarde Hertog Wenzel van Luxemburg tot leenheer van het gebied.

Simon van Sponheim was met de dochter van een graaf, Maria van Vianden, getrouwd. Het gebied rond St. Vith breidde zich nu uit tot een eenheid die tot het Graafschap Vianden behoorde en in deze vorm gedurende 400 jaar bestond.

Na de dood van de laatste erfgenaam van Sponheim in het jaar 1417 kwam het Graafschap Vianden samen met de heerschappij over St. Vith, in het bezit van de Graaf van Nassau (die later ook Prins van Oranje-Nassau werd genoemd). De Heren van Nassau, en meer specifiek van Oranje-Nassau, die slechts deeltijds in de Burcht Vianden woonden, lieten de heerschappij over St. Vith door prefecten (bijvoorbeeld van Rolshausen, van Münchausen, Kröff, Baring, de la Fontaine, van Dhaeme) in hun naam besturen.

Prefecten of pandheren woonden in de Burcht van St. Vith. Als hoogste landsheren waren de graven en later de hertogen van Luxemburg ons gebied toch meer genegen.

Sinds St. Vith met Vianden verbonden was, nam de betekenis van de stad onder de heerschappij van de graaf van Sponheim en de graaf van Nassau steeds meer toe; de stad verbreedde economisch (handelsstad), administratief (het Hooggerechtshof was de zetel van de pachters en prefecten) en militair (herbergde een garnizoen) tot een centrum, als strategisch belangrijk punt aan de noordelijke grens van het Hertogdom. De economische herleving werd in de loop der eeuwen echter steeds weer door invallen, oorlogen, branden of epidemieën onderbroken.

Zo doodde de pestepidemie, die in het midden van de 14de eeuw in Europa woedde, ook in St. Vith een groot deel van de inwoners. In deze periode (rond 1350) situeert zich waarschijnlijk de bouw van een eerste ziekenhuis. Stadsbranden verwoestten de stad meerdere keren in de 16de eeuw, aantoonbaar in het jaar 1517 en voor 1541.

©stadtgemeindesanktvith
©stadtgemeindesanktvith

Verwoesting en vernietiging
 

Vernietigingen door brand waren ook vaak een gevolg van oorlogen die St. Vith tot in het recente verleden hebben geteisterd. 

Hertog Wilhelm van Jülich, een bondgenoot van de Franse koning, brandde de stad af in 1543. Als deel van de Spaanse Nederlanden werd het Luxemburgse land, ook het gebied rond St. Vith, in de oorlogen van de 16de en 17de eeuw door plunderende en moordende bendes geteisterd.

De stadskroniek van St. Vith bericht in dit verband over een overval door Filip van Nassau die op de avond van 17 januari 1593 met 1200 ruiters en 500 man voetvolk door een opengelaten stadspoort de stad wou binnendringen.  Door het beheerste optreden van een geestelijke genaamd Filip Viltz kon deze poging verijdeld worden. Negen jaar later (1602) dook de Hollandse strijdmacht onder leiding van Ludwig van Nassau opnieuw op voor de toren van St. Vith en dreigde eveneens met een vernietiging indien het losgeld niet betaald werd. De bevolking van St. Vith betaalde de som en verhinderde hierdoor dat naast de vernietiging hun stad ook zou worden overgeleverd aan de vlammen.

In de loop van de driejarige oorlog werd St. Vith in 1632 door Hollandse troepen overvallen en geplunderd. Bovendien kostte de in de navolging van de oorlog uitgebroken pestepidemie, in St. Vith evenals in de nabijgelegen plaatsen, talrijke mensen het leven.

De vrede van Westfalen (1648), die de driejarige oorlog beëindigde, bracht echter nog geen vrede.

Meermaals viel de Franse koning, Lodewijk de 14de de Spaanse Nederlanden binnen. St. Vith werd in 1675 door Franse troepen geplunderd, geldsommen werden afgeperst en vermogende burgers werden gegijzeld. In het jaar 1684 lukte het Frankrijk zijn heerschappij in het Hertogdom Luxemburg te vestigen, nadat de Luxemburgse vestiging zich had overgegeven aan het garnizoen.

Het jaar 1689 is, zoals het jaar 1944, een jaar van verwoesting van de stad geweest.

In de oorlog tegen het Duitse Rijk en de Nederlanden beval Lodewijk de 14de alle vestigingen aan de grenzen van de vijandelijke gebieden te slopen. De vesting St. Vith viel dan ook ten prooi aan zijn politiek van ‘de verbrande aarde’. Ze werd in maart gesloopt.

De complete vernietiging vond plaats op 5 september voortgezet, toen de stad door ‘Franse moordlustige bendes’ in puin en as werd gelegd.

De opbouw was nog aan de gang of bijna afgerond, toen een nieuwe catastrofe de stad 6 jaar later verwoestte: een nietsontziende stadsbrand verwoestte de nieuwgebouwde huizen en bracht de inwoners opnieuw in een noodtoestand.

In het verloop van de Spaanse Successieoorlog (1702) werd St. Vith door Duitse Huzaren overvallen en geplunderd. In de Vrede van Utrecht (1713) werd de Spaanse Successieoorlog beslist en het Hertogdom Luxemburg, dat weer door Franse soldaten bezet was, werd bij Oostenrijk gevoegd.

©stadtgemeindesanktvith
©stadtgemeindesanktvith

De regeringsperiode van Maria Theresia


Tijdens de regeringsperiode van Maria Theresia begon ook de lederindustrie van St. Vith. In maart 1752 startte Hubert Buschmann de leerlooiertraditie van St. Vith, die in haar bloeitijd meerdere bedrijven met meer dan 600 looikuipen (bijna 10.000 huiden) omvatte.

Het leder van St. Vith werd met paard en kar naar Leipzig en naar Frankfurt naar de beurs gereden en had een heel hoge reputatie.

In de tijd van Maria Theresia vinden we ook de ordening van ‘Theresiaanse Kadasters’, een lijst van inwoners en gebouwen aan de hand van woonplaats en rechtsgebieden die werd gemaakt voor belastingdoeleinden. Op de lijst van de stad St. Vith is te lezen dat ‘de stad nog niet volledig opgebouwd is en gedeeltelijk in zeer slechte toestand’ is. Een belasting in de huidige zin van het woord bestond toen echter nog niet omdat de belasting van de inwoners van de stad toen de helft minder was dan die van de buitenlanders die niet het burgerrecht bezaten.

Gelijkheid van alle inwoners en definitieve afschaffing van lijfeigenschap, de leendienst en het leenstelsel (Ancien Régime) kwam er eerst met de Franse Revolutie. In het verloop van de Oostenrijkse-Franse oorlog bezetten de Fransen na de slag van Fleurus (juni 1794) het huidige België en ook het gebied rond St. Vith. Dit betekende het einde van de heerschappij van St. Vith evenals het Hertogdom Luxemburg. De laatste leenheer, Wilhelm van Nassau vluchtte in 1795 met zijn familie naar Engeland. St. Vith was onmiddellijk de zetel van een ‘Mairie’ (burgemeester) en bouwde met de omliggende burgemeesters het kanton St. Vith dat toen tot het arrondissement Malmedy in het Département de l’Ourthe behoorde.

Na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo werd ons gebied op het Weense congres (1815) bij de Pruisische Rijnprovincie gevoegd onder het beheer van Aachen. St. Vith, tot 1820 districtsstad, behoorde dan tot 1920 bij het territorium van Malmedy. 

In deze periode ervoer de stad en zijn omgeving enige verbeteringen wat betreft de levenskwaliteit (land- en bosbouw, watervoorziening, schoolwezen, ziekenhuisbouw, postwezen, spoorwegbouw). De verbinding met de spoorweg (vanaf 1887) had voor de ontwikkeling van de stad een belangrijke betekenis. In de bloeitijd werden in het station van St. Vith dagelijks 30 personen- en 80 goederentreinen ontvangen; rond 1200 personen waren hier tewerkgesteld; de betekenis als bedrijfsstad groeide.

 

©zvs.archiv
©zvs.archiv

Wereldoorlogen en de "petite farce belge"

Na de eerste wereldoorlog waarvan 57 burgers van St. Vith niet terugkeerden, werden de Pruisische districtssteden Eupen en Malmedy door het Verdrag van Versailles aan België toegewezen.

Door middel van een ‘volksbevraging’ (1920) die als ‘petite farce belge’ de geschiedenis inging, werd ‘vastgesteld’ dat de meerderheid der bevolking tot België wilde behoren.  Van de over 33.000 stemgerechtigden hadden zich namelijk slechts 271 personen ingeschreven en hiermee ervoor gestemd bij Duitsland te blijven. Deze personen ervoeren dus allerlei repressies en vitterijen van de Belgische overheid. Als gevolg van deze ‘volksbevraging’ werd veel Duits treinpersoneel van St. Vith naar Möderath getransfereerd, waarbij door de overheid geen inachtname van de jarenlange familiale en vriendschappelijke relaties werd genomen.

Na een vijfjarige overgangstijd (Gouvernement Baltia) werd het gebied van Eupen, Malmedy en St. Vith in 1925 definitief bij de Belgische deelstaat gevoegd. De wissel van het vaderland viel voor velen, zoals verwacht, zeer zwaar al boden gunstige economische omstandigheden een mogelijkheid met deze nieuwe situatie in het reine te komen. Een groeiende bevolking en sterke bouwactiviteiten in de tussentijdse oorlogsjaren getuigen van een economische welvaart die na de wereldwijde economische crisis (1929) vertraagde.

Na de intocht van de Duitse troepen op 10 mei 1940 werd het gebied van Eupen-Malmedy-St. Vith onder bevel van de Führer bij het Nationaalsocialistische Duitse Rijk gevoegd en meegezogen in de onlusten van de Tweede Wereldoorlog. De andere Nationaalsocialistische organisaties van het Rijk rekruteerden ook hier leden. Vele dienstplichtigen moesten hun dienst met tegenzin bij de Duitse strijdkrachten (Wehrmacht) verrichten, wat hun na het einde van de oorlog tot verraders van de Belgische staat maakte.

De eerste gevolgen van de oorlog ondervond St. Vith op 9 augustus 1944, toen de kerk en het station door bommen verwoest werden: zes mensen verloren daarbij het leven. Op 3 september kwam het bevel tot evacuatie dat de meeste inwoners werd opgevolgd. Ze verlieten de stad met een zwaar hart in de richting van Hannoversch-Münden en Dransfeld. Midden september bezetten de Amerikanen de stad en de Belgische overheid nam het bestuur over. Op 16 december begon het Ardennenoffensief onder andere met het bombardement van St. Vith. Doch de inname van de stad faalde en verijdelde hiermee het ganse offensief dat zich tot een oorlog van posities ontwikkelde. Voor Kerstmis trokken wederom Duitse krijgsmachten St. Vith in.

Op beide Kerstdagen brak dan de catastrofe in St. Vith uit: geallieerde bommenwerpers legden de stad in puin en as; 153 burgers van St. Vith en meer dan 1000 soldaten kwamen alleen al op deze twee dagen om het leven; bijna 600 gebouwen werden verwoest of zwaar beschadigd (meer dan 90%).

Niettegenstaande deze tragische gebeurtenis bouwden de burgers van St. Vith hun stad op dezelfde plaats weer op. Het puin van de gebombardeerde stad werd tot de ‘Millionenberg’ gevormd en het leven begon in de noodwoningen van de ‘nieuwe stad’ vanaf 1946 te herleven.

De heropbouw duurde tot in de jaren 60: het ziekenhuis (heropening in 1953), de kerk (in 1959 ingewijd), de scholen en natuurlijk de vele privé gebouwen werden opnieuw gebouwd en heelden zo de door de oorlog gemaakte wonden. St. Vith ontwikkelde zich weer tot een bedrijfscentrum van de nabije en verdere omgeving. Vee-, markt- en jaarmarkten, handels- en landbouwtentoonstellingen evenals nieuw geopende winkels en bedrijven getuigden van een economische opbloei. Het toenemende verkeer had een negatieve invloed op het station dat wegens de door de oorlog verwoeste infrastructuur en vanwege de verminderde vraag, niet meer concurrerend was en afgebroken werd. In het stationsgebouw, dat de oorlog overleefde, bevindt zich vandaag het Streekmuseum (Heimatmuseum).

Het hoofdverkeer rijdt vandaag weer, zoals vroeger, in noord-zuid richting maar niet meer op sporen, maar op de in 1986 geopende autosnelweg aan de westkant van de stad. Na de gemeentefusies van 1977 groeide de kleine stad St. Vith tot een aanzienlijke gemeente want de tot 1795 zelfstandige gemeenten Recht, Lommersweiler, Schönberg en Crombach alsook het dorp Wallerode, werden bij St. Vith gevoegd. In het nieuwe gemeentehuis (in 1979 geopend) werd de eenheid van de gemeente zichtbaar.

Sinds de jaren 60 vormde de stad zich van een puur bedrijfscentrum meer en meer om tot ook een school- en dienstverleningscentrum: de ontwikkeling van de verschillende scholen, de vestiging van verschillende overheden, de ingebruikname van het sport- en vrijetijdscentrum, de verdere ontwikkeling van het ziekenhuis had niet enkel het aanbod vergroot maar ook nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd. De toeristische en economische troeven van ‘de hoofdstad van de Eifel’ zijn, naast de verbinding van de mensen met hun stad, met hun dorp, de garantie voor een gestegen levenskwaliteit waar men van houdt.